web VOB     web SVK's     web huurdersbonden     web woonwinkels Intranet
Adressenlijst Een woordje uitleg  Missieverklaring

Woonwinkels: een woordje uitleg

Artikel DE GEMEENTE,
Annick Vanhove

Het veelkleurige pallet aan woonwinkels in Vlaanderen

In Vlaanderen zijn er een zeventiental initiatieven die werken volgens de principes van het woonwinkelconcept. Ze worden vaak niet als een nieuwe werksoort herkend, want ze dragen allemaal een verschillende naam: woonwinkel, woonwijzer, wooninformatiedienst, wooninfocentrum, woonhoek,… Ook de initiatiefnemers verschillen. De meeste woonwinkels functioneren als dienst van een openbaar bestuur (gemeente of OCMW). Een minderheid zijn particuliere initiatieven opgestart vanuit een lokaal of bovenlokaal samenwerkingsverband. Negen van deze initiatieven worden gefinancierd vanuit SIF-middelen, al dan niet aangevuld met middelen uit de reguliere OCMW- of stadsbegroting. Andere financieringsbronnen worden gevonden op Europees, Vlaams of provinciaal niveau. De openbare werkingen beperken hun werkingsgebied altijd tot het grondgebied van de gemeente. Private initiatieven werken soms ook buiten de gemeentegrenzen. In Antwerpen en Gent richten de woonwinkels zich telkens tot een welbepaalde buurt. Het aantal inwoners van het werkingsgebied schommelt tussen de 20.000 en 30.000 inwoners. De woonwinkels en woonwijzers richten zich tot de ganse bevolking van het werkingsgebied, maar besteden prioritair aandacht aan de kansarme bewoners. Men bereikt de burgers via folders, doorverwijzing, markten, regionale TV,… en niet in het minst via mond-aan-mond-reclame. Afhankelijk van hun ontstaansgeschiedenis werken ze met huurders en/of eigenaars. Woonwinkels die gestart zijn als buurtontwikkelingsproject richten ze eerder tot eigenaars. Woonwinkels die vertrekken vanuit een kansarmoede-invalshoek richten zich veelal naar huurders. Zij participeren allemaal aan een lokaal welzijns- en/of huisvestingsoverleg.

Bovenstaande beeld schetst het veelkleurige palet aan woonwinkels en woonwijzers in Vlaanderen. Maar wat is nu gemeenschappelijk aan deze initiatieven? Op welke wijze kunnen zij bijdragen tot een gemeentelijk woonbeleid? Het antwoord op deze vragen vormt de inhoud van dit artikel.

Het woonwinkelconcept staat nog niet volledig op punt. Maar grote lijnen kunnen - onder voorbehoud - al getrokken worden. De woonwinkel is (1) een laagdrempelige voorziening, (2) waar men terecht kan voor informatie, begeleiding en advies op maat, (3) en die zich inschrijft in (lokale) samenwerkingsverbanden om een up-to-date informatienetwerk uit te bouwen. De woonwinkel is specialist op vlak van informatie en begeleiding rond woonpremies en heeft hiervoor een set ondersteunende instrumenten uitgewerkt.

Een laagdrempelige voorziening

Woonwinkels en woonwijzers koppelen twee deskundigheden aan elkaar: een gedegen en actuele kennis van de huisvestingssector en kennis en ervaring over de begeleiding en oriëntering van mensen, in het bijzonder kwetsbare groepen.

Als laagdrempelige voorziening is de woonwinkel voor iedereen toegankelijk. Extra aandacht wordt besteed aan de noden en behoeften van zwakke groepen op de woningmarkt (o.a. huurders, kamerbewoners, campingbewoners, kandidaat-sociaal huurders, renoveerders, kleine (bejaarde) eigenaars, ...). Om zijn lage drempel waar te maken moet een woonwinkel / woonwijzer gevestigd zijn op een goed herkenbare en bereikbare locatie. Vooral woonwinkels die opgestart worden vanuit een openbaar bestuur, moeten zich bezinnen over de inplanting van de woonwijzer. Hoe men het ook draait of keert, binnenstappen in het OCMW, maar ook in het gemeentehuis, is voor sommige burgers niet evident. Wie zien dan ook dat woonwijzers van openbare besturen vaak een eigen aparte locatie krijgen. De Lierse woonwijzer is daar een goed voorbeeld van. De Woonhoek in St-Niklaas, een woonwijzer opgestart vanuit het OCMW, heeft ook gekozen een eigen locatie, los van het OCMW.

Informatie, begeleiding en advies op maat

In de woonwinkel/woonwijzer kan men terecht voor allerlei inlichtingen en vragen over wonen. Bij vragen over vb. de inschrijvingsvoorwaarden voor een sociale woning, het conformiteitsattest, het kamerdecreet, crisisopvang, bouwaanvragen van geringe omvang, …, geven de woonwinkelaars eerste algemene informatie. Voor de inhoudelijke en administratieve behandeling van dergelijke dossiers verwijst de woonwinkel door naar de geëigende diensten.

Voor vragen over de gewestelijke, provinciale en lokale woonpremies of over de aankoop en de renovatie van een woning gaat de woonwijzer verder dan enkel het geven van heldere informatie.

De woonwinkelaar zal een diagnose stellen van de woonsituatie van de cliënt. Dit zal hij op een systematische manier aanpakken via een intake en een analyse van de probleemsituatie(s). Ook huisbezoeken kunnen aangewezen zijn om de vraag van de cliënt in een ruimer kader te plaatsen. In sommige gevallen kunnen de woonwinkels burgers behoeden voor impulsieve daden waardoor ze achteraf problemen zouden kunnen krijgen. Vb. Een sociale huurder wilt verhuizen omwille van een ruzie met z'n buur. Hij komt bij de Woonwinkel in Tienen het databestand van de te huur staande woningen raadplegen. De woonwinkelaar spreekt hem aan, analyseert samen met hem de situatie en zet uiteindelijk alle voor- en nadelen van een verhuis op een rij. De klant ontdekt dat verhuizen veel meer financiële gevolgen heeft dan hij zelf kon inschatten en besluit om, gezien zijn financiële situatie, eerst nog eens proberen de relatie met zijn buurman te verbeteren.

Bij de opstelling van het actieplan op maat van de cliënt zal de woonwinkelaar oog hebben voor de samenhang van andere factoren (familiale situatie, woningkwaliteit, leefomgeving, private en sociale huurwetgeving, e.d.). Hij begeleidt de cliënt tijdens de verschillende stadia van de probleemoplossing. De ondersteuning die de woonwinkel biedt kan zowel individueel als collectief gebeuren (vb. vorming). Maar bovenal zal de ondersteuning actief verlopen en moet het tastbaar bijdragen tot de verbetering van de woonsituatie.

Praktische instrumenten

Naast een administratieve ondersteuning, vb. het invullen van een premieaanvraag of de opvolging van het premiedossier, hebben de woonwinkels ook instrumenten ontwikkeld om klanten praktisch te helpen. Zo hebben enkele woonwinkels een databank van te huur staande woningen die klanten kunnen raadplegen. (De woonwinkel Tienen merkt dat in deze databank ook voor een deel de aantrekkingskracht van de woonwinkel zit.)

De woonwinkels geven ook praktische ondersteuning bij renovaties door vb. materialen uit te lenen of door technisch advies. De woonwijzers van de Buurtontwikkelingsmaatschappij zijn als eerste gestart met een materiaaluitleendienst voor buurtbewoners. Concreet betekent dit dat buurtbewoners tegen een schappelijke prijs allerhande materiaal voor enkele dagen tot enkele weken kunnen uitlenen. Het gaat hierbij om vb. een stelling, een betonmolen, een drilboor, een cirkelzaag,… Andere woonwinkels zijn gevolgd en bieden ook dergelijke service aan de bewoners van hun gemeente. De woonwijzers van de BOM, maar ook de wooninformatiecentra van STEBO in Limburg en de woonwinkel in Tienen specialiseerden zich in het geven van technisch advies bij renovaties. Zij hebben ook architecten in dienst die het technisch advies geven.

Tot slot stellen we een recent experiment voor. De woonwijzers van de BOM hebben in samenwerking met de Provincie Antwerpen, de Stad Antwerpen, Antwerpen Woonstad en de Orde van architecten een nieuw project opgestart waarbij zelfstandige architecten gratis een inleidend advies verschaffen over het indienen van een bouwaanvraag. Wanneer hieruit een dossier voor werken van geringe omvang voortvloeit biedt de woonwijzer een goedkope service. Dit experiment is tot stand gekomen naar aanleiding van de grote behoefte van de klanten aan een goede begeleiding bij de bouwaanvragen. Hoewel nog maar enkele maanden werkt, kent het nu reeds een enorm succes.

Specialist op het vlak van woonpremies

Woonwinkels noemen zich terecht specialisten inzake overheidspremies voor particulieren. De registratiegegevens van de woonwinkels tonen twee tendensen aan: (1) een gevoelige stijging van het aantal aanvraagdossiers in de gemeente en (2) een verhoging van het aantal goedgekeurde dossiers. Met andere woorden: de woonwijzers slagen er niet enkel in om meer premie-aanvragen in te dienen. De aanvragen die zij indienen, leiden vaker tot resultaat. De samenwerking met de provinciale AROHM-diensten heeft in alle provincies geleid tot een betere beoordeling van de premie-aanvragen. Dit leidt tot minder werk voor de provinciale AROHM-diensten.

De woonwinkels en woonwijzers stellen zich tot doel deze woonpremies actief én gericht te promoten. Zo schrijven sommige woonwinkels systematisch de nieuw ingeschreven bewoners van de gemeente aan om te wijzen op het bestaan van de huursubsidie. Zij gaan ook samen met de klant na welke premie het meest geschikt is.

Samenwerkingsverbanden en informatienetwerken

Het stimuleren en afsluiten van hechte samenwerkingsverbanden met diverse (huisvestings)actoren is ook een kenmerk van de woonwijzer. Het gaat hierbij om diensten en organisaties zoals vb. OCMW, de dienst bevolking en de dienst ruimtelijke ordening van de gemeente, de provinciale AROHM-diensten, de sociale huisvestingsmaatschappijen, de Huurdersbonden, het Vlaams Woningfonds, de diensten van Kind en Gezin, buurtwerken en bewonersgroepen. Deze samenwerkingsverbanden kunnen, naargelang de situatie en de noodzaak, verschillen in intensiteit en omvang. Via deze samenwerkingsverbanden kunnen de woonwinkels en woonwijzers informatie vergaren én ter beschikking stellen. Zo kunnen contacten met bewonersgroepen en buurtcomités waardevolle signalen opleveren over het wonen in bepaalde buurten of gemeenten. Dit informatienetwerk staat niet alleen ten dienste van de cliënt, maar ook van de overheid.

Positie van de woonwinkel in een (lokaal) woonbeleid

De Vlaamse regering heeft in de wooncode een continuüm van instrumenten uitgewerkt die eigenaars ertoe moeten aanzetten de kwaliteit van hun (huur)woningen te bewaken en/of te verbeteren. De woonpremies bevinden zich aan de preventieve, stimulerende zijde van het continuüm. De ongeschikt- of onbewoonbaarverklaring en het sociaal beheersrecht situeren zich aan de sanctionerende kant. De Vlaamse wooncode bepaalt ook dat het de gemeente is die het overleg moet organiseren tussen de huisvestingsactoren die werkzaam zijn op haar grondgebied.

De woonwinkels vormen een belangrijke partner voor het lokaal woonbeleid, naast de gemeentelijke diensten zelf, het OCMW, de sociale huisvestingsmaatschappijen, het Vlaams Woningfonds, de Huurdersbond, het SVK,… Doordat de woonwinkels specialist zijn op het gebied van de woonpremies, kunnen ze een belangrijk bijdrage leveren aan het gemeentelijke woonbeleid op vlak van woningkwaliteit. Door hun kennis van de woonpremies en hun kunde op het vlak van renovatiewerken, kunnen zij eerst en vooral preventief adviseren en ondersteunen. Daarnaast kan de woonwinkel ook ingeschakeld worden om aan gesanctioneerde eigenaars alternatieven aan te bieden om hun woning toch te verbeteren. Een goede samenwerking tussen het openbaar bestuur en de woonwinkel kan leiden tot een verbetering van de woningkwaliteit in de gemeente, ja zelfs tot een succesvolle aanpak van de problematiek van leegstand en verkrotting.

Tot slot mogen we stellen dat de woonwinkels een brug vormen tussen overheid en burgers op het vlak van huisvesting en wonen. Deze brug werkt in twee richtingen:
  • van de overheid naar de burger: de woonwinkels zorgen ervoor dat het uitgestippelde beleid uitgevoerd wordt, m.a.w. dat de instrumenten die ontwikkeld worden daadwerkelijk terecht komen bij de doelgroep. Dit is de dienstverlening aan de ruime bevolking.
  • van de burger naar de overheid: de woonwinkels signaleren noden en tekorten in het beleid aan de bevoegde overheden zodat het beleid kan bijgestuurd worden. Deze beleidssignalering kan er toe bijdragen dat het beleid dichter bij de burger komt en beter afgestemd raakt op effectieve noden. Zo voerde de Vlaamse woonwinkels in 1998 actie rond het Vlaamse huursubsidiesysteem en formuleerden ze voorstellen om deze toelage beter af te stemmen op de doelgroep.


Nog te onderzoeken aspecten van het woonwinkel concept

Bij de beschrijving van de gemeenschappelijke elementen in de werking van de Vlaamse woonwinkels hebben we benadrukt dat het woonwinkelconcept nog niet volledig op punt staat. Nog enkele aspecten van het concept dienen nader uitgewerkt of verfijnd te worden.

De knelpunten die door de sector ervaren worden, hangen nauw samen met de ontstaansgeschiedenis van het model. Ter illustratie twee voorbeelden:
  • Woonwinkels en woonwijzers starten in het kader van Sociaal Impulsfonds vaak op binnen een openbaar bestuur. De inbedding in een administratieve setting, werkt soms contraproductief voor de beoogde lage drempel en bemoeilijkt de bewaking van de oorspronkelijke taken. Zo zien we dat sommige woonwinkelaars taken toebedeeld krijgen die eigenlijk bij andere gemeentelijke diensten thuis horen (vb. leegstandsonderzoek, uitreiking conformiteitsattesten,…). Dat bemoeilijkt hun eigenlijke dienstverlening aan de burgers.
    Anderzijds kunnen woonwinkels die binnen een gemeente opereren, vlotter een éénloketsysteem in hun dienst integreren.
  • Woonwinkels en woonwijzers zijn gestart in de Vlaamse grootsteden, Antwerpen en Gent. Het concept kan vrij makkelijk overgenomen worden in middelgrote steden (vb. Lier, Tienen, Lokeren), maar voor landelijke gemeenten moet het concept organisatorisch bijgestuurd worden. In het Meetjesland is nu ongeveer een half jaar een intergemeentelijke woonwinkel werkzaam. Zij experimenteren rond bereikbaarheid, schaalgrootte, e.d.


Verder dient ook uitgeklaard te worden wat de verhouding is tussen het éénloketsysteem en de woonwinkel. Met een éénloketsysteem kan een burger tegelijkertijd een lokale, provinciale en Vlaamse premie aanvragen. Het onderzoek dat gebeurt voor de Vlaamse premie, is ook voor de andere overheden geldig. Met andere woorden, voor drie premies moet maar één dossier opgemaakt worden. Dit is een duidelijk voordeel van het éénloketsysteem. Maar wat is de burger met het éénloketsysteem als de premie die hij krijgt, misschien niet de meest geschikte is voor zijn situatie? Diagnose van de cliëntsituatie is essentieel voor een goede oriëntering. Dit diagnose-element is nu net de troef van de woonwinkels. De vraag is dan ook of het éénloketsysteem niet moet ingebed worden in de woonwinkels.

Ook de verhouding tussen de woonwinkel, de huisvestingsambtenaar en de woonraad moet uitgeklaard worden. Vaak zien we dat de woonwinkel een trekkersrol toebedeeld krijgt in de gemeentelijke woonraad of de huisvestingswerkgroep van het SIF. Deze trekkersrol vergt veel tijd en energie van de woonwinkelaar, veelal ten koste van de dienstverlening aan de burgers. Ons inziens, zou deze trekkersrol moeten toekomen aan de huisvestingsambtenaar. Eerder dan belast te worden met de concrete uitvoering van allerhande praktische taken, dient de huisvestingsambtenaar zijn tijd en energie te steken in beleidsvoorbereidend werk. De voorzetten die hij/zij uitwerkt, kunnen dan bediscussieerd worden in de lokale woonraad waarin alle relevante (huisvestings)actoren zetelen. De woonwinkel maakt deel uit van de lokale woonraad en kan op die manier het lokale woonbeleid mee vorm geven.

De woonwinkels en woonwijzers hebben behoefte aan ondersteuning bij de verdere methodiekontwikkeling, ervaringsuitwisseling en materiaalaanmaak. Een aantal taken die gezamenlijk zouden kunnen opgenomen worden (o.a. de aanmaak van vb thematische brochures, van een registratiesysteem, van modelbrieven) worden nog steeds elk apart verricht. De woonwinkels en woonwijzers vragen dan ook dat de Vlaamse overheid, zoals voor de sociale verhuurkantoren en Huurdersbonden, een stafmedewerker ter beschikking stelt voor de woonwinkels en woonwijzers. Dergelijke stafmedewerker gaat immers de draagkracht van de plaatselijke woonwinkels ver te boven.

Tot slot zijn de woonwinkels ook bekommerd om hun voortbestaan. Die zal afhangen van de structurele subsidiëring die de Vlaamse, provinciale en lokale overheden voor deze initiatieven voorzien. Momenteel gebeurt de financiering van deze initiatieven veelal door SIF-middelen of middelen uit de reguliere OCMW- of stadsbegroting. Andere financieringsbronnen worden gevonden op Europees, Vlaams of provinciaal niveau. Naar de toekomst toe lijkt het wenselijk dat ook de Vlaamse overheid deze initiatieven structureel ondersteunt, vermits ze de bruikbaarheid van de Vlaamse premiestelsels voor de burger verhogen. Eventueel kan gedacht worden in de richting van een cofinanciering tussen het Vlaamse en het lokale niveau.

En de toekomst

Huisvesting situeert zich zowel in Sif + gemeenten als in waarborggemeenten binnen de top drie. Dat illustreert dat de openbare besturen er zich van bewust zijn dat op dit vlak nog heel wat werk te leveren valt. Met dit artikel probeerden we aan te tonen dat het woonwinkelmodel zijn bruikbaarheid voor het (lokale) woonbeleid bewezen heeft (zie ook de illustratie van de Lierse Woonwijzer). We verwachten dan ook in de nabije toekomst een stijging van het aantal woonwinkels binnen de nieuwe SIF-meerjarenplannen. Deze nieuwe praktijk zal aanleiding geven voor de verdere verfijning van het model. We kunnen nu reeds zeggen dat het, noch van de woonwinkels zelf, noch van de overheid, de bedoeling is om tot een eenheidsworst te komen. Afhankelijk van de plaatselijke situatie en aanwezig actoren kunnen de woonwinkels zelf bepalen waarop ze hun aandacht en energie richten: premiebegeleiding, praktische ondersteuning bij renovatie- en verbouwingswerken, vorming voor doe-het-zelvers,… Uitdoel van dit alles is steeds een betere woonsituatie voor de burger.



Annick Vanhove was coördinator van het Vlaams Overleg Bewonersbelangen vzw.
In de schoot van het VOB functioneerde een drietal jaar het overleg van Vlaamse woonwinkels.

Woonwinkels
Vlaams Overleg Bewonersbelangen vzw
Diksmuidelaan 50   B - 2600 Berchem  


webpagina laatst bijgewerkt op :